3. Water en vuur
3. Water en vuur
In z’n rotan stoel zat de oude man uiteindelijk vaak voor zich uit te staren, handen gevouwen. Bad hij? Waarschijnlijk niet. Er was gedraai met de duimen, in het hoofd rimpels. Van bidden ontspan je juist beweren ingewijden, daar was zo te zien bij hem geen sprake van. En was hij wel gelovig..? Een rooie, een socialist gelovig? Onmogelijk, vond de omringende katholieke boeren dorpsgemeenschap. De bijbel? Hij las liever cowboy-boeken die z’n kleinzoon wekelijks voor hem haalde in de dorpsbibliotheek. En nog erger.., was hij zelfs een socialistische republikein? Koninklijk huis? Als dat ter sprake kwam dan luisterde hij hoofdschuddend met een spottend glimlachje.
Voor iemand van in de tachtig zag de oude man er nog goed uit. En hij was nog sterk ook. Waarschijnlijk was dat te danken aan al dat buitenwerk vroeger op de landerijen. Als dagloner gras maaien met de zeis, met de hand hooien en watergangen schoon houden. Het in stand houden van eeuwen eerder ontgonnen polder Eemland (nu Nationaal Landschap). Later was hij in de stad gaan werken bij een bierbrouwerij. En naar nog grotere steden gereden met biervaten achter in een T-ford bouwjaar 1920.
Uiteindelijk behoorde hij tot de eersten die konden gaan profiteren (en nooit premie afgedragen hadden) van een oudedagsvoorziening, namelijk de AOW. ‘Trekken van Drees’ zogezegd. In 1955 was dat, door toedoen van deze socialistische politicus kwam er een voorziening voor een ieder, zelfs voor armoedzaaiers. Dus zomaar (op z’n vijfenzeventigste) met pensioen, echt ongelooflijk. En op iedere verjaardag, en dat werden er daarna nog maar liefst dertien, werd er door de brouwerij een lekker kratje bier neergezet, voor ooit bewezen diensten. Proost!
Een klein boerderijtje hadden zijn vader en moeder waar hij geboren werd en als jongste opgroeide aan de rand van polder Eemland. Zijn vader was een kleine boer maar had nog een bijbaantje; machinist van het stoomgemaal Zuidereind. Die machine had polder Eemland, na de ontginningen in de middeleeuwen en na het wegslaan van een eerder stoomgemaal bij de Elisabeth-vloed, meestal droog weten te houden. De oudere broer van hem had later zowel de machinistenfunctie als het boerderijtje overgenomen van vader, dat was dus ooit aan zijn neus voorbij gegaan. Jammer vond hij dat, maar van jaloezie was geen sprake, hij kon goed met zijn broer. Met eigen middelen dan maar een boerderij beginnen? Los of dat financieel gekund had was zijn vrouw erop tegen geweest. Zij behoorde tot het geslacht Van Wede, in haar familie-roots grootgrondbezitters, maar dat was al eeuwen geleden. Dat vermogen in geld, land en boerderijen was er al lang niet meer, maar het elan daarvan had Hendrika nog wel een beetje. Echter, nogal tegengesteld daaraan, ze was na hun trouwen in een eenvoudig huurhuisje van (vastgoedinvesteerder) het plaatselijk kerkbestuur terecht gekomen. Vanuit het stulpje nam je geen hoge positie meer in binnen de agrarische pikorde daar tussen de boerderijen met veel staldeuren. Was dat haar aanname, alleen maar een gevoel? Zij hadden maar één staldeur, voor een varken nota bene om de schillen aan op te voeren. Voor uiterlijk vertoon, wat ze zo goed kende, ‘haalde zij haar neus op’. Dan wilde zij nog liever echt afwijken van maar gewoon een boerin zijn zoals haar buurvrouwen. Stadser en trotser was ze, dansen op muziek, daartoe haar grammofoonplaten draaiend op haar slinger-pathéphone die zij in 1929 al wél had. Nee, dit frommes (‘vrouw’, plaatselijk dialect) was niet boers, aan koeien melken moest ze niet denken in zo’n stinkstal of modderige weilanden. Veel liever reed ze bij zoonlief mee naar de stad achter op de Matchless motor 350cc. Maar niet te losbandig, benen netjes tegen elkaar aanhouden in amazonezit. Aanzien of niet, haar hart lag wel bij zorg verlenen buitenshuis. Zij bakerde bij talloze geboortes van nieuwe toekomstige boertjes in de omgeving, verloskundige noemen we dat beroep nu. En dat was werk wat door moest gaan binnen alle rangen en standen dus men wist haar te vinden. Waar was de rijkdom en landerijen uit haar familielijn in het verleden gebleven? Er moest ooit iets gebeurd zijn waardoor de welstand en het aanzien verdwenen was. Alcoholisme? Misdaad? Ziekten? Hoe dan ook, de spiegelende en echoënde air en flair van haar familiegeschiedenis had zij dus nog wel deels in zich. Hoe zit dat met de overerving van zoiets in de tijd na haar, hadden haar kinderen dat dan ook weer in zich? Bij haar zoon en vier dochters kwamen nogal uiteenlopende persoonskenmerken naar voren. Onverschilligheid in uiterlijk had er één, dat zal bij hem vandaan gekomen zijn. Maar inderdaad, er was een ‘barones’ dochter bij qua uitstraling en kleding. Helaas waren er ook twee nakomelingen met (erfelijke?) diabetes en reumatiek. En een dochter met gène vanwege maar dat stulpje tussen die grote boerderijen in. Misschien voor haar juist wel een zege dat het huisje bij het uitbreken van WOII door Hollandse militairen in de brand gestoken werd om open schootsveld te maken. Ze had later nog wel foto’s van hoe het er uit gezien had maar die hield ze voor zichzelf.
Ondanks (of dankzij) al die karakterverschillen tussen hem en zijn Hendrika en de kinderen was de relatie binnen het gezin volgens de overlevering onderling altijd goed. De uiteenlopende karakterverschillen binnen het gezin werd blijkbaar een nuttig speelveld om familietrauma’s en karma’s met wijsheid te kunnen vereffenen. Dat was minder het geval in het samengestelde gezin waar hij nu zelf als verse weduwnaar en oude man duimendraaiend in terecht gekomen was.
De tachtig gepasseerd, in zijn rotan stoel, de herinneringen, zijn recent overleden vrouw Hendrika, de tijd toen hij nog met haar samen was. Kort na haar dood hadden zijn uitgevlogen kinderen gezamenlijk besloten dat hij niet alleen kon blijven wonen op zijn leeftijd. Daarom was hij nu een gezinslid geworden van één van zijn dochters. Hij kon ‘in eigen zijn huis’ aanschuiven aan de eettafel, met dochter, schoonzoon en en de twee kleinkinderen. En zijn was werd gedaan, zijn bed verschoond, enzovoort. Maar oei, hij zag zijn schoonzoon spitten en zaaien in zijn tuin. Gelukkig had de oude man ook nog een volkstuin op de Eng waar hij naar toe kon. Toch zat hij vaak naast de haard in zijn rotan stoel binnen de gemeenschappelijke muren te somberen. Wat betekende zo’n nieuw samengesteld gezin wel niet voor hem? Was er nog ruimte voor zijn rouwproces, en ook van zijn dochter, om het recent overlijden van Hendrika? Of zat het elkaar juist in de weg? Er hingen meer spanningen in huis dan dat er over gevoelens gepraat werd.
Vroeger werden wel vaker de ouders (‘ouwelui’) in huis opgenomen, maar was het nu bij hen wel verstandig geweest, in een klein huisje zonder afscheiding ertussen, en die uiteenlopende karakters? ‘Zijn’ schuur met de kippen, konijnen en geiten. Die hij nu moest delen met zijn schoonzoon, er ontstonden spanningen tussen die twee. En plotseling twee jonge (klein)kinderen om hem heen waarvan hij de opvoeding aanschouwde maar niet begreep. Het liefst was hij op de Eng, zijn akker waar hij aardappels, kapucijners en bieten verbouwde, wat tevens goed van pas kwam aan de gezamenlijke eettafel. Waar zo dicht bij elkaar te weinig ruimte was voor elkaar aura’s. Er gebeurde iets bij de schoonzoon als moeder(?) dochter(?) de vrouw van, eten op tafel zette wat meer naar de smaak van zijn schoonvader dan dat van hem was. Hoe hij dan richting overkant van de eettafel keek, en boosaardig in de voor hem té stevig gekookte piepers zat te prikken. Voor de gevoelige twee kinderen werd de sfeer in huis meer en meer een broeiplaats, een klamme deken. Kon hun opgebouwde stukje basis, opgedaan gedurende hun prille jeugd op hun vorige onbezorgde woonplek, behouden blijven?
Gelukkig kwamen de andere kinderen en kleinkinderen nog steeds bij de oude grootvader op bezoek. Ze mochten hem erg graag. Er werd gekaart en geborreld. Als hij verjaarde dan zat het huisje vol. Het gebrek aan zitplaatsen werd creatief opgelost door de afstanden tussen beschikbare stoelen te overbruggen met planken waar dan massaal op gezeten kon worden. Zoals al genoemd, de kring aan visite merkte niets van huiselijke problemen, het was dan oergezellig onder elkaar. De zoon van de jarige had een chronische ziekte, maar ondanks dat vormde die dan spontaan een mondharmonica/zang-gelegenheidstrio met zwagers, het omringende feestkoor zong massaal mee. Van een favoriet liedje was het refrein: ‘De kat zat op het plat, en musiceerde wat. Miauw (4x), wat een rare kat was dat (2x)’. Vervolgens heel veel coupletten waarin het niet lukte om van de lastige te slimme dier af te komen, de pogingen daartoe bezorgde het baasje alleen maar veel brokken en schade. Lachen, de sfeer zat er dan goed in, hoezo huiselijke problemen? Alcohol kan veel vergoelijken, de jarige oude man bekende dan dat hij ‘als een toeter’ was en dat het nu onderhand wel zijn laatste verjaardag geweest zou zijn. Maar er kwamen nog ettelijk verjaardagen. Zijn favoriete drank. jonge klare (jenever), maakten de jaren wat vloeiender verteerbaar. Op wandelafstand was er een boerderij, het had tevens nog caféstatus met alcoholvergunning. Het was een overblijfsel uit de tijd van dagloners in de grote eenzame polders waar soms etmalen lang gewerkt en verbleven moest worden.
De oude man kon er goed opschieten met de waardin, zij schonk hem zijn borrel, bij haar kon hij zijn ‘ei kwijt’.
Familiebanden waren altijd hecht geweest. Eens kwam een kleindochter van achttien bij hem bekennen dat ‘ze moest trouwen’, met ene Henk. Uit zijn vaak gebezigde assortiment aan oude spreuken en liedjes resideerde hij ‘Hendrik had zijn gat verbrand in de warme zomer, toen het lente werd moest er een kindje komen.’ Verder had de oude man er geen commentaar of kritisch oordeel op gehad, het nichtje was daarna opgelucht weer naar huis vertrokken.
Hij was trouwens altijd een blije man geweest. Tegen iedereen die het wilde horen onderweg riep hij “lekker weer”, vooral als het regende! Langs het huisje liep een doorgaanden weg naar de stad waar veel schoolkinderen fietsten tussen hun dorp en stadsschool. Hij zat daar graag buiten en de begroetingen middels luidkeels geroep gingen over en weer. Alle forenzen kenden hem. Vrachtwagenchauffeurs begroetten hem met toetersignaal en opgestoken hand.
Zelf fietste hij op oude leeftijd nog steeds, maar zonder handvaten aan het stuur. Die sneed hij er altijd onmiddellijk vanaf bij een nieuwe fiets, hij moest het koude pure metaal van het stuur in zijn handen voelen. Pas bij min tien graden, en niet eerder, werden eindelijk, op aandringen van de vrouw des huizes, pet en handschoenen opgezocht.
Veel contacten had hij nog in de buurt, hij was in tegenstelling tot zijn vrouw een kind van de streek, van boerenkomaf. De beerput bij het huisje, riolering was er toen nog niet, moest om de zoveel tijd worden leeggeschept. Omgaan met de bij de buren geleende gierkar, compleet met paard ervoor, was routine voor hem en de stank was in overeenstemming met zijn geliefde platte boerenland. Maar de tijden verstreken, door slecht zicht begon het allemaal moeizamer te gaan terwijl hij zich binnenshuis ‘het vijfde wiel aan de wagen’ voelde. Toch kon het niet anders dat de stoel naast de kachel langzamerhand steeds meer zijn lot werd. Met ook de gloeiende beladen sfeer, de alarmfases verdwenen niet meer, tussen schoonzoon en de oude man kon de lont ieder moment zomaar aangestoken raken. De wederzijdse verwensingen konden er heftig aan toe gaan, soms zelfs hoor- en verstaanbaar in hun buurt! De ‘brandweer’vrouw des huizes keek wel uit om partij te kiezen tussen echtgenoot of vader, zij probeerde beide vlammende heethoofden ‘objectief’ zo goed mogelijk te blussen.
De twee kinderen gingen een basisgevoel van veiligheid missen. Hun antennes gingen doorlopend steeds de huis-ether scannen om alvast weer rekening te kunnen houden met een volgend ‘weerlicht en bliksem’.
De atmosfeer waarin je bent opgegroeid neem je mee, later zou het een levenshouding worden. Ook toen het niet meer nodig was.
Een verzorgingshuis voor de oude man? Daar is wel even sprake van geweest. Maar zou het er in de buurt en binnen de familie niet al gauw de indruk mee geven van; eerst het huis afpakken en dan die goede oude man lozen? Nee, dat gingen ze echt niet doen.
Wat lag er eigenlijk aan de ruzies ten grondslag? Twee kapiteins met tegengestelde karakters op een schip? Rouw? Was er iets afgepakt? Of was het allemaal autistoform (waar men toen nog nooit van gehoord had)? Het staat als een paal boven water dat er geen gezonde verbale communicatie mogelijk was. Dat hadden zij niet geleerd. Het erover hebben stond gelijk aan oprakelen, daar kreeg je alleen maar opnieuw ruzie van, maar de gezichten spraken boekdelen.
De oude man ging nog wel naar buiten, maar zijn steeds slechter wordende gehoor en ogen beperkten hem. De preek in de kerk kon de ‘ongelovige socialist’, zo’n atheïst was hij dus toch niet, nog volgen door onder een luidspreker aan de pilaar te gaan zitten. Heel vroeg naar kerk gaan anders was die plaats bezet. Want het was een populaire onopvallende plek voor de boeren, ‘s ochtends na al gemolken te hebben. Geknikkebold en gesnurkt werd er.
Zou die steeds drukker wordende doorgaande weg tussen het huisje en de oude bevriende buurtjes aan de overkant een blokkade gaan worden? Met nog geen vijftig procent gezichtsvermogen en gehoor meer. En kon men hem daar nog als onpartijdig blijven zien bij een conflict tussen de rechtlijnige schoonzoon met die buren aan de overkant (wat over een lawaai makende landbouwmachine ging). Zelfs half blind was de oude man altijd nog wekelijks met die oude vriend van de overkant naar de stad gefietst om goedkoop (noodslacht)vlees te bemachtigen in het slachthuis. Twee oude slingerende mannen naast elkaar met een slakkengang – wat de een niet zag of hoorde hopelijk de ander wel – elkaar bestokend met waarschuwingen en commentaar over hoe gevaarlijk de ander wel niet reed. De ander weer parerend met “ze hebben mij tenminste nog nooit de hak van m’n klomp afgereden”, wat ooit werkelijk gebeurd was. Toch was het wekelijkse uitje met elkaar altijd een heilzame afleiding geweest. De oude man kon eventjes weg bij boosaardige non-verbale communicatie en verbale uitbarstingen vandaan. Is er in zo’n thuissituatie een schuldige aan te wijzen? Hij had snel het gevoel dat hij onder de plak zat en kon zelf zijn mond ook niet houden.
Zeer rechtlijnig was zijn schoonzoon wel. Gezinsleden hadden automatisch door te hebben, dermate telepatisch te zijn om gewoon te snappen waar hij wel of geen behoefte aan had, waar hij al dan niet van gediend was. En anders was het foute boel.
Men had ook op te passen met achting uitspreken ten aanzien van activiteiten van een ander. Gek, hij ervoer dat als kritiek op hém. Want dan geërgerd; “is mijn gazon dan niet goed”? Of “heb ik dan niet hard gewerkt”? En zijn boosheid was altijd de schuld van de ander. En ‘annexatie’ van de moestuin van de oude man, had daar overleg over kunnen of moeten zijn? Geen benul. En hoe haalde die ouwe het in zijn hoofd om in de schuur aan zijn gereedschap te zitten en dat het dan daarna op een andere plek lag. En bij de maaltijden hé. De vrouw des huizes, echtgenote en dochter, is niet te benijden geweest. De twee jonge kinderen met open oren, ogen en voelsprieten ook niet. Wie wel eigenlijk?!
Een eigen vredig gezin had de oude man in vroeger tijden gehad in ditzelfde huis met zijn vrouw. Een van zijn vijf kinderen was nu dus de vrouw des huizes. Wat was er veel gebeurd en gebeurde er nog in deze polder langs de oude Grebbelinie. Een koninklijke onderscheiding had hij ooit gekregen. Hij had in een boerenkar, die blijkbaar op water kon blijven drijven bij de plaatselijke watersnood in 1916, mensen en dieren weten te redden. Bij springtij waren er dijkdoorbraken langs toen nog Zuiderzee en rivier De Eem. Om vervolgens nog ternauwernood ook zijn vrouw nog uit de bedstede te halen die hoogzwanger angstig op hem had liggen wachten. Het gezin zocht snel veiligheid bij de naastgelegen terpboerderij waar het in het hoger gelegen voorhuis nog juist droog bleef. Terug in hun eigen huisje bleek dat het hoogwater z’n handtekening had gezet in de vorm van een roetvlek op het kamerplafond. Dat kwam doordat de tafel met in de haast achtergelaten walmende olielamp was gaan drijven, meer dan twee meter hoog blijkbaar. Maar dat was niet het uiteindelijke vuur geweest wat het huis later fataal werd. In 1940 werd het aangestoken door Nederlandse militaire troepen ten behoeven van vrij schootsveld langs de Grebbelinie, om de naderende Duitsers tegen te ‘gaan’ houden. Zover is het niet gekomen. Het bombardement op Rotterdam, waar het nog veel harder brandde, had een snelle capitulatie tot gevolg. Veel mensen langs de Grebbelinie vonden hun huizen en boerderijen als een hoopje as terug toen ze na de overgave ’thuis’ kwamen van evacuatie uit Noord Holland. Daarna werd er massaal onderdak gezocht bij familie, in een schuur of kippenhok. Het gezin van de oude man was, tijdens ongeveer een jaar lang herbouw van het huisje, ingetrokken geweest bij het jonge gezin van zoonlief. Maar nu als tachtiger had hij te maken met ‘vuur’ van een andere orde, binnen het gezin des dochter, wat eigenlijk helemaal niet zijn gezin was. Hij bluste de pijn met jonge jenever bij die waardin in de polder. En hij kauwde op pruimtabak. Tussendoor gaf hij zijn kaken rust en dan bewaarde hij zijn half uitgekauwde pruim in de zak van zijn werkkiel. Daar haalde hij ook weleens een flauw ‘Russisch Roulette’-grapje mee uit. Hij maakte dan een handgebaar naar een van de twee kleinkinderen om blijkbaar boven de uitgestoken hand wat te overhandigen. Hand openen eronder was een gok, was het de de pruimtabakprop of een echte zilveren gulden die je ging krijgen. Meestal was het de gulden, een enorm kapitaal!
Vroeger zag je mannen regelmatig pruimtabaksap uitspuwen. De oude man kwam er in 1942 een week door in de gevangenis. Zo’n fluim kwam namelijk terecht op de laars van een Duitse bezetter die net passeerde en zich zeer vernederd voelde. Een ongelukje? Waarschijnlijk niet – de spuwer kennende. Er mocht hem gedurende de dagen van Duits wikken en wegen over wat de bezetters met hem zouden gaan doen, door zijn dochters eten gebracht worden in de cel. Iedereen was erg opgelucht toen hij na een week vrij gelaten werd. Kamp Amersfoort was immers dichtbij.
Medemensen in de belevingswereld van de schoonzoon die dingen deden welke niet strookten met zijn normen en waarden, daar verloor hij de controle bij. Gerechtigheid zou en moest z’n loop hebben. In zijn jonge jaren was dat uitgelopen op menige ruzie in de kroeg. Zijn vrienden waar hij dan mee uit was voelden zich veilig bij hem, vriend-vuurvreter was altijd bereid het voor hen op te nemen, waar dan ook. En bij een incident in Kamp Amersfoort. Hij moest daar naar binnen om voor het transportbedrijf waar hij werkte goederen af te leveren. Door hetgeen wat hij daar een bewaker bij een gevangene zag doen ging hij er meteen op af, hij kon nog maar op het nippertje teruggehaald en in bedwang gehouden worden door zijn collega waarmee hij daar was. Hij mocht er niet meer naar toe van zijn werkgever, hij kreeg een andere wijk. De discussies jaren na de oorlog over het eventueel maar eens vrijlaten uit gevangenschap van ‘de drie van Breda’ deden hem dan opnieuw opstuiven. Een van die drie, Joseph Kotalla, plaatsvervangend commandant van Kamp Amersfoort is verantwoordelijk geweest voor de vreselijke dingen die daar zijn gebeurd. Zelf daadwerkelijk mishandelen, maar zijn honden gebruikte hij er ook voor.
Sociaal gezien had de rechtlijnige schoonzoon twee kanten. Hij nam het op voor de medemens die onrechtvaardig behandeld werd en ging er dan op af. Zo regelde hij, met de vuist op tafel bij de terughoudende gemeente, dat de dunbevolkte achtergestelde buurt in het buitengebied, waar men zich een rib uit het lijf betaalde aan stookolie, eindelijk ook aangesloten ging worden op het voordeliger aardgasnet. Het was wel lastig dat nuances bij hem ontbraken. Iets wat niet wit was kon niet anders dan zwart zijn. Er was maar èèn politieke partij, vakbond of religie dat niet fout was. En wie niet voor hem was, was tegen hem. Op z’n werk was hij er, als enige zonder opleiding, uitgepikt om leidinggevende te worden. De directie kon blindvaren op hem dat het werkvolk onder zijn leiding het werk iedere dag foutloos af zou krijgen. Hij kreeg dat voor elkaar middels een enigszins militaristisch leiderschap. Maar wel op rechtvaardige wijze, men wist goed wat men aan deze meerdere had. Jonge medewerkers die gepest werden nam hij in bescherming. Tijden veranderden, na 1975 werd een autoritaire methode bij opdrachten geven niet meer gepikt, leiderschap ging meer flexibiliteit vragen. Zijn methode van ‘een doel – één weg’ – de zijne, werkte niet meer en hij kon na een flinke (fysieke) aanvaring met een personeelslid thuis blijven, oftewel eerder met pensioen. Dat was een pijnlijke slag voor zijn arbeidsethos.
De oude man. Op een dag liep hij, op gevoel van herinneringen, naar zijn geliefde en goddelijke polderland waar hij in vroeger dagen gewerkt had en één met de natuur geweest was. De dochter (moeder van de kinderen) vond hem toen hij niet terug kwam en ze was gaan speuren. Hij was er (onbedoeld?) in het water terecht gekomen.
In het huis doofde het ‘vuur’. Er volgde een overstroming van stille vragen, verdriet en schaamte. En hoe jong de twee kinderen nog waren; ze snapten het ontwijken van deze gezinsgeschiedenis en alles wat ermee samenhing. Ze zouden geen spelbreker zijn in het vermijden. Kon de kous daarmee af zijn?
Blijkbaar is het vuur doorgegeven, maar nu tussen de zoon in dezelfde straat van vader. Tot groot machteloos verdriet van moeder die opnieuw vuren moest zien te blussen. Het doofde dan steeds weer langzaam, maar vatte altijd weer snel vlam. Had men maar kunnen communiceren. Iedere keer moest de boosheid weer traag wegebben zoals water in de ondergelopen polder, maar het bleef drassig en modderig. En dat krijg je binnen als je je mond open doet. ’s Zondagsochtends werd er door vader gekeken of het gezin van zoonlief over hun gemeenschappelijke straat voorbij kwam ten teken van kerkbezoek. Vaste prik hoorde daarna op de terugweg bezoek aan pa en ma te zijn met de jonge kids. De ruzies vlamden vaak weer op, vaak over politiek, het geloof, vakbonden. Het stopte pas na een hersenbloeding en overlijden van de zoon, hij was zesendertig jaar.
De andere zoon was na zijn huwelijk vertrokken naar een andere omgeving in het land. Toch was hij regelmatig op zoek naar ‘nestwarmte’ met zijn gezin bij zijn pa en ma in het ouderlijk huis. Ook nog toen vader aangaf dat hij zijn zoon niet meer was omdat deze op een ‘rooie’ politieke partij gestemd had. Er werd vaak, met ‘een steen in de buik’ en met katerige gevoelens, eerder dan de aanvankelijke bedoeling was, weer snel de terugreis naar het (vredige) achterland ondernomen.
Het is er zelfs toch van gekomen dat de zoon, na lang wikken en wegen, terug verhuisde met zijn gezin om in het ouderlijk huis van vader en moeder te gaan wonen, die gingen verhuizen naar een seniorenwoning. Dat was toen broerlief niet eens zo lang geleden overleden was. Het fijne vooruitzicht van de twee broers om in elkaars buurt te kunnen gaan wonen was helaas niet meer vervulling kunnen gaan.
Hoe groot de wens van vader en moeder geweest was om hun huis over te kunnen doen aan een zoon was helaas alleen te voelen geweest aan knagende signalen zonder woorden. Totdat er weer foute woorden van kwamen, in de vorm van een fikse gezinsruzie waarbij men boos en aangeslagen vertrok de koude kerstnacht in. Maar hun wens dat er er een kind in hun woning zou komen, werd uiteindelijk, na lang nadenken door de zoon, wel vervuld met inmiddels vrouw en kinderen.
Uiteindelijk heeft de vader de rechtlijnigheid en het vuur wat laten varen na respectievelijk de verhuizingen en het verlies – het missen van de andere zoon. Ouder werd hij en kwam in rustiger vaarwater. Blijkbaar stond het water niet meer tot aan de lippen, het meeste daarvan was weggeëbd in en rond het polderland. En hij bleek te kunnen mantelzorgen voor zijn vrouw, ze had eerder en ook meer gezondheidsklachten dan hijzelf. Toch begaf zijn hart het van het ene op het andere moment, vierentachtig was hij. Zij betrok een kamer in het verzorgingshuis en genoot van de vredige bezoekjes van haar overgebleven zoon, twee schoondochters en vijf kleinkinderen. Ze had verdriet om dat zieke gehandicapte kleinkind, dochtertje van de overgebleven zoon. Ze dacht met liefde terug aan haar overleden (ruziënde) dierbaren; vader, man en zoon. Ze was overtuigd van een weerzien. Na een ziekbed stierf ze met drie keer een glimlach op haar gezicht. Zag ze haar vader, man en zoon? Vierentachtig jaar werd ze.
Reacties
Een reactie posten